VRAGEN – HERKENNEN VAN JE WEERSTANDEN

De meeste mensen hebben weerstanden om normaal om te gaan met (een vermoeden) van kindermishandeling. Het helpt wanneer je je weerstanden kent. Dan kan je daar wat tegen/mee doen. Een hele goede oefening van ons, gratis en voor niks:

OEFENING 1
Kies uit de onderstaande 4 mogelijkheden die jou jij herkend bij jezelf / bij de organisatie.
En dan is de opdracht verder eenvoudig:

Welke weerstanden herken je? / Welke erken je? /
Bespreek het met je colllega’s /  Bespreek met elkaar wat je daar gaat doen.

weerstanden uit de filmpjes:
1. Ik weet er gewoon te weinig van af.
2. Ik vind het moeilijk om erover te beginnen.
3. Ik weet niet bij wie moet je er over beginnen, ouder of kind?
4. Ik heb vroeger zelf dingen meegemaakt. Het is te zwaar voor me om nu iets te doen.
5. Ik schaam me, ik weet niet waraom, maar ik schaam me.
6. Hoe moet je praten met kinderen?
7. Ik heb op mijn opleiding niet voldoende geleerd om er aan te denken
8. Het gebeurt wel, maar niet bij ons.
9. De anderen lossen het wel op.
10. Kan ik het wel goed herkennen?
11. Signaleren wil ik wel, maar hoe weet je het zeker.
12. De vorige keer dat we iets hebben gedaan heeft het AMK niets van zich laten horen.
13. Ik weet eigenlijk niet goed weten waar je met je vermoeden naartoe moet
14. Ik durf echt niet door te vragen bij het kind.
15. Ik wil geen relatie met ouders opbouwen.
16. Ik bemoei me niet met de opvoeding van anderen.
17. Ik moet het waarschijnlijk allemaal in ‘n eentje oplossen.
18. Ik weet niets van de achtergronden van het kind.
19. Ik ben maar een stagiair.
20. De ouders zijn monsters, daar kan ik niet tegenop.
21. Ik heb het vaak genoeg ter sprake gebracht, maar er gebeurt niets.
22. De ouders zijn hooggeschoolde mensen en belangrijk in de gemeenschap
23. Ik vind het te erg wat je tegen kan komen.
24. Ik kan niet geloven dat het bestaat, kindermishandeling. Dat doe je toch niet?
25. Het hoort niet bij onze cultuur om je met een ander te bemoeien.
26. Je kind een tik geven is normaal in onze cultuur.
27. Ik wil loyaal blijven naar de ouders.
28. Angst voor juridische gevolgen.
29. Aandacht voor dat onderwerp heeft geen prioriteit in de organisatie waar ik werk.
30. Ik sta al onder druk bij mijn collega’s.
31. Ik vertrouw mijn intuïtie niet.
32. Bang voor extra werk, terwijl ik het toch al zo druk heb.
33. Straks wordt het nog erger voor dat kind.
34. Bang dat de jongere / de ouder het niet zal toegeven en wat dan?
35. Ik ben hier pas in dienst. Moet eerst weten hoe dat hier functioneert.
36. Ik kan niet goed samenwerken met mijn collega’s
37. Ik ben bang dat de ouders gaan verhuizen wanneer ik het ter sprake brengt.
38. Bang voor agressie van de ouders.
39. Straks moet ik dat kind de hele tijd in de gaten blijven houden, na doorverwijzing.
40.  …….

OEFENING 2
Bespreek in jouw werkomgeving / team welke weerstanden er zijn en hoe je die gezamenlijk gaat oplossen.
Niets doen is géén optie volgens ons, en wij hebben het meegemaakt dat er werd weggekeken….